Vrijstelling successierechten op familiaal bedrijf: nieuwe voorwaarden voor jaarrekening onderneming (art. 12, 13 en 75 Begrotingsdecreet 2010I)
Powered by Jura
Erfgenamen kunnen in Vlaanderen vrijgesteld worden van successierechten bij overerving van een familiale vennootschap of onderneming. Die vrijstelling geldt enkel als bepaalde voorwaarden vervuld zijn (art. 60bis W. Succ., Vlaamse versie). Zo komen de onderneming of de vennootschap slechts voor de vrijstelling in aanmerking voor zover ze een jaarrekening opmaken, die ook gebruikt wordt ter verantwoording van de aangifte in de inkomstenbelasting, gedurende een periode van drie jaar vóór en vijf jaar na het overlijden. In het ‘
decreet van 9 juli 2010 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2010’ staat nu dat die jaarrekening voortaan moet opgemaakt en (indien verplicht) gepubliceerd worden volgens de boekhoudwetgeving die in België vigeert op het ogenblik van het overlijden.
Vrijstelling
Een erfgenaam moet geen successierechten betalen:
- ■
op de activa die door de erflater of diens echtgenoot beroepsmatig geïnvesteerd zijn in een familiale onderneming (nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwbedrijf en vrij beroep); en
- ■
op de aandelen of vorderingen op een familiale vennootschap (een vennootschap met zetel van werkelijke leiding in een EER-lidstaat).
De vrijstelling geldt alleen wanneer de onderneming of de aandelen van de vennootschap in de drie jaar voor het overlijden van de erflater, ononderbroken, voor ten minste 50% toebehoorden aan de overledene of aan diens echtgenoot, en op voorwaarde dat de erfgerechtigden de onderneming, de aandelen of de vorderingen spontaan vermeld hebben in de aangifte van nalatenschap.
Daarnaast legt artikel 60bis van het Wetboek der Successierechten onder meer nog voorwaarden op qua tewerkstelling en kapitaal.
Jaarrekening
Een onderneming of vennootschap komt enkel voor de vrijstelling in aanmerking als ze gedurende drie jaar vóór en vijf jaar na het overlijden een jaarrekening kan voorleggen.
Voortaan moet die jaarrekening opgemaakt en (indien verplicht) gepubliceerd worden volgens de boekhoudwetgeving die in België vigeert op het ogenblik van het overlijden (wijziging art. 60bis §8 lid 1 W. Succ., Vlaamse versie). De jaarrekening moet dus niet langer opgesteld worden ‘overeenkomstig het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekening van ondernemingen’. Alle bepalingen van dat KB (op artikel 48bis na) zijn immers ofwel opgeheven, ofwel verwerkt in het Wetboek van Vennootschappen.
Vennootschappen en ondernemingen met een zetel buiten België, maar binnen de Europese Economische Ruimte, moeten voortaan een jaarrekening opmaken en (indien verplicht) publiceren volgens de vigerende boekhoudwetgeving van de lidstaat waar haar maatschappelijke zetel gevestigd is op het ogenblik van het overlijden (wijziging art. 60bis §8 lid 2 W. Succ., Vlaamse versie).
Belgische ondernemingen en vennootschappen die volgens de vigerende boekhoudwetgeving niet verplicht zijn om een jaarrekening op te maken, zijn ook niet verplicht om er een op te maken voor het verkrijgen van de vrijstelling van successierechten. Ook de verplichting tot publicatie geldt alleen als de vigerende boekhoudwetgeving die oplegt op het ogenblik van overlijden. De wetgever heeft de verplichting tot publicatie aan artikel 60bis (§ 8 lid 1 en 2) toegevoegd om controle te kunnen uitoefenen op de participatie- en tewerkstellingsvoorwaarde. En door te verwijzen naar ‘de vigerende boekhoudwetgeving’ kan ook de voorwaarde qua kapitaal mee evolueren met eventuele wijzigingen aan de boekhoudkundige verplichtingen van micro-entiteiten vanuit Europees perspectief.
Jaarrekening ‘micro-entiteiten’
Op 10 maart 2010 maakte het Europees Parlement immers bekend dat ze er geen bezwaar (
wetgevingsresolutie Europees Parlement van 10 maart 2010) tegen heeft dat kleine ondernemingen (‘micro-entiteiten’) niet langer een jaarrekening zouden moeten opmaken. Die vrijstelling zou gelden voor ondernemingen die voldoen aan tenminste twee van de drie volgende criteria:
- ■
een balanstotaal van minder dan € 500.000 euro;
- ■
een netto-omzet onder de € 1.000.000; en/of
- ■
een gemiddelde van 10 werknemers tijdens het boekjaar.
Het Europees Parlement laat de lidstaten zelf kiezen of ze de ‘micro-entiteiten’ zullen vrijstellen, ‘daarbij rekening houdend met de nationale situatie voor wat betreft het aantal ondernemingen dat onder deze drempelwaarden valt’. In België stuit het voorstel alvast op verzet. In ons land zou immers meer dan 70% van de bedrijven in aanmerking komen.
Om tegemoet te komen aan de bezorgdheid om het risico van de vrijstelling voor de interne organisatie, de transparantie en de toegang tot informatie, heeft het Europees Parlement duidelijk gemaakt dat micro-entiteiten verplicht zouden blijven om ten minste een kasboekhouding bij te houden. De lidstaten kunnen hieraan verdere verplichtingen toevoegen.
In werking
Deze nieuwe voorwaarden treden in werking op 28 juli 2010, de dag waarop het ‘decreet van 9 juli 2010 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2010’ in het Belgisch Staatsblad verscheen.
Zie ook:
Christine Van Geel
Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2010
Afkondigingsdatum : 09/07/2010
Publicatiedatum : 28/07/2010
Powered by Jura