Het Hof van Cassatie heeft in een interessant arrest van 5 oktober 2010 de onderzoeks- en bewijsmogelijkheden uiteengezet van camerabeelden die conform de camerawet werden opgenomen. Meteen lijken vele discussies of onduidelijkheden over de mogelijkheden van de camerawet tot het verleden te zullen behoren, en dan vooral die over de mate waarin de geschoten beelden kunnen bijdragen aan de bewijsvoering in strafzaken.
Frank Schuermans
De zaak van de inmiddels ontslagen korpschef van de politiezone Gent was niet alleen vanuit maatschappelijk en politioneel oogpunt relevant, maar ook vanuit het oogpunt van het gebruik van camerabeelden. De gewezen korpschef werd immers zowel in eerste aanleg als door het Gentse hof van beroep mede door het gebruik van camerabeelden uit een café veroordeeld. Zijn cassatieberoep werd afgewezen bij arrest van 5 oktober 2010, hoewel de verdediging argumenteerde dat de beelden niet konden worden gebruikt.
Ter herinnering, de gewezen zonechef werd in een arrest van 9 maart 2010 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden met uitstel voor valsheid in geschrifte als (mede)dader (in een proces-verbaal en in een vertrouwelijk verslag) en als openbaar ambtenaar, voor het gebruik van deze valse stukken en voor vluchtmisdrijf. De korpschef kwam van een feestje en reed met enkele glazen te veel op een geparkeerd voertuig aan, om vervolgens mee een constructie op te zetten die moest laten voorkomen dat een ander lid van het korps achter het stuur had gezeten.
Verkeerd misdrijf
De ex-korpschef wierp ondermeer een schending op van de artikelen 2, 4° (dat de definitie geeft van wat onder een bewakingscamera moet worden verstaan) en 9 (dat de toegang tot de beelden bepaalt en voorschrijft aan wie en onder welke voorwaarden de beelden kunnen worden overgedragen) van de camerawet. Volgens de verdediging is het gebruik van de beelden beperkt tot hetgeen in artikel 2, 4° als definitie van camera vermeld staat, met name elk vast of mobiel observatiesysteem dat tot doel heeft misdrijven tegen personen of goederen of overlast in de zin van artikel 135 van de nieuwe gemeentewet te voorkomen, vast te stellen of op te sporen, of de openbare orde te handhaven en dat hiervoor beelden verzamelt, verwerkt of bewaart& . De beelden kunnen volgens de verdediging enkel dienen tot bewijs in strafzaken wanneer we te maken hebben met misdrijven tegen personen (vechtpartijen bijvoorbeeld), goederen (vernielingen of beschadigingen aan gebouwen of voertuigen bijvoorbeeld) of overlast (nachtlawaai, beschadigingen, milieuovertredingen). Als men alleen voor die fenomenen een camera mag installeren, kunnen de beelden ook alleen worden gebruikt om die specifieke fenomenen te bewijzen. Om valsheid in geschrifte (dat een misdrijf tegen de openbare trouw is) of vluchtmisdrijf (inbreuk op de wegverkeerswet) te bewijzen kunnen de beelden dus niet gebruikt worden.
Het Hof van Cassatie volgt, net zoals het Gentse beroepshof, die stelling niet en maakt duidelijk het onderscheid tussen enerzijds de regels over de (voorwaarden voor de) plaatsing van een bewakingscamera op zich, waarvoor de definitie relevant is, en anderzijds het gebruik van de beelden, waarvoor die definitie niet meer relevant is.
Het Hof verwijst naar twee andere bepalingen van de camerawet. Vooreerst is er artikel 6 dat de voorwaarden preciseert waaronder de plaatsing en het gebruik van vaste bewakingscamera's zijn toegestaan en in het 2e lid van zijn 3e paragraaf precies verduidelijkt dat het opnemen van beelden uitsluitend (is) toegestaan teneinde bewijzen te verzamelen van overlast of van feiten die een misdrijf opleveren of schade veroorzaken en daders, verstoorders van de openbare orde, getuigen of slachtoffers op te sporen en te identificeren . Hieruit blijkt dat men beelden mag opnemen (en dus logischerwijze een camera plaatsen) om het bewijs te leveren van eender welk misdrijf of schadeverwekkend feit.
Vervolgens is er artikel 9 dat als gemeenschappelijke bepaling (voor zowel vaste als mobiele camera s) onder meer regelt aan wie de beelden kunnen worden overgemaakt.
Volgens dat artikel kan de verantwoordelijke voor de verwerking de beelden op vraag van de politie overdragen aan de ordehandhavingdiensten, als die beelden kunnen bijdragen aan het identificeren van daders van eender welk misdrijf. Bovendien kan de procureur des Konings steeds de beelden in beslag (laten) nemen in het kader van zijn opdrachten. In dat geval moet de eigenaar de beelden afstaan.
Zo begrijpt het Hof van Cassatie alleszins ook die bepalingen. Het stelt dat, hoewel het plaatsen en gebruik van een bewakingscamera alleen mag om misdrijven tegen personen of goederen of overlast in de zin van artikel 135 gemeentewet te voorkomen, vast te stellen of op te sporen, of de openbare orde te handhaven, het gebruik van de beelden die de camera heeft verzameld, bewerkt of bewaard, niet is uitgesloten als ze een bijdrage kunnen leveren tot het bewijs van een ander misdrijf.
Het Hof beslist tot slot ook nog dat de in artikel 2, 5° camerawet bedoelde verantwoordelijke voor de verwerking, de opvolger (kan) zijn van degene die (initieel) besliste om een of meer camera s te plaatsen. In deze zaak waren de camera s al in 2004 geplaatst door de vroegere eigenaar van het café, en vóór de inwerkingtreding van de camerawet.
Met deze uitspraak wordt voor de praktijkmensen bij bestuur, politie en justitie elke twijfel weggenomen over het gebruik van beelden die conform de camerawet werden opgenomen. Die beelden kunnen bijdragen tot het bewijs van eender welk misdrijf of overlastfenomeen, zoals misdrijven tegen de veiligheid van de staat of tegen de openbare trouw.
(De auteur is advocaat-generaal in Gent, lid van de privacycommissie en verbonden aan de vakgroep straf(proces)recht van de VUB. De in deze bijdrage ontwikkelde standpunten binden uitsluitend de auteur)
Gent, 9 maart 2010, inzake P. D.W. en Stad Gent, onuitg; Cass. 5 oktober 2010, P.10.0703
http://jure.juridat.just.fgov.be
Lees ook op demorgen.be, standaard.be en hln.be.