|
Terug naar inhoudstafel
Bijlage IV Verantwoordingsnotitie
1. De opmaak van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening geeft uitvoering aan artikel 110 van het decreet van 27 maart 2009 tot aanpassing en aanvulling van het ruimtelijke plannings-, vergunningen- en handhavingsbeleid (verder: “Aanpassings- en aanvullingsdecreet”). 2. Bij de redactie van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening werden volgende uitgangspunten gevolgd.
Ten eerste. De coördinatie dient zo nauw mogelijk aan te sluiten bij de letterlijke teksten van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (verder: “DRO”), met inbegrip van alle wijzigingen die daaraan werden aangebracht, inzonderheid door het Aanpassings- en aanvullingsdecreet. Hetzelfde geldt voor de integratie van de vergunningsregeling van artikel 90bis van het bosdecreet van 13 juni 1990. Ten tweede. De coördinatie dient de gekende indeling van het DRO (institutionele bepalingen; bepalingen inzake de ruimtelijke planning; bepalingen inzake het vergunningenbeleid; bepalingen inzake het handhavingsbeleid) te behouden, weze het dat een meer logische rubricering mag en moet worden uitgewerkt wat verscheidene “diverse bepalingen” en overgangsmaatregelen betreft. Ten derde. De coördinatie dient een heldere en doorlopende nummering van de decreetartikelen te omvatten, waarbij het model gevolgd wordt van het Decreet Algemene Bepalingen Milieubeleid en het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid, zodanig dat men uit het artikelnummer kan afleiden op welke rubriek het betrekking heeft:
- –
- artikelnummers die beginnen met “1” betreffen de inleidende bepalingen;
- –
- artikelnummers die beginnen met “2” betreffen bepalingen die betrekking hebben op de ruimtelijke planning;
- –
- artikelnummers die beginnen met “3” betreffen grootschalige stedenbouwkundige projecten;
- –
- artikelnummers die beginnen met “4” betreffen het vergunningenbeleid;
- –
- artikelnummers die beginnen met “5” betreffen diverse bepalingen inzake de plannen- en vergunningsregisters, de ruimtelijke informatieplichten, het stedenbouwkundig attest en projectvergaderingen, de aanpak van de permanente bewoning van weekendverblijven, ondersteunings- en evaluatiemaatregelen en de raakvlakken met sectorregelgeving;
- –
- artikelnummers die beginnen met “6” betreffen het handhavingsbeleid;
- –
- artikelnummers die beginnen met “7” betreffen temporele en overgangsmaatregelen;
- –
- artikel 8.1.1 bevestigt in navolging van artikel 110, § 2, van het Aanpassings- en aanvullingsdecreet dat de coördinatie aangehaald wordt als “Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening”.
3. Aan deze uitgangsprincipes werd meticuleus uitvoering gegeven.
Aansluiting bij de bestaande libelleringen. Ten opzichte van de in de coördinatie betrokken teksten werden slechts volgende logische wijzigingen aangebracht, geheel en al binnen de machtiging verleend in artikel 110, § 1, tweede lid, 3°, van het Aanpassings- en aanvullingsdecreet (naar luid waarvan de Vlaamse Regering de te coördineren bepalingen “met het oog op onderlinge overeenstemming, eenheid van terminologie en vereenvoudiging qua vorm” kan herschrijven, “zonder te raken aan de erin neergelegde beginselen”):
- –
- in het definitieartikel 1.1.2 van de codex (dat de tekst van artikel 2, § 1, van het DRO omvat) werden de daarin omschreven begrippen alfabetisch geordend;
- –
- bij de regeling van het voorkooprecht in de zin van de artikelen 2.4.1 en 2.4.2 is middels een voetnotenapparaat aangegeven welke voorkooprechtenregeling overgangsmatig zal gelden tot de inwerkingtreding van het decreet van 25 mei 2007 houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten;
- –
- artikel 90bis van het bosdecreet van 13 juni 1990 werd uiteengetrokken en ingepast in twee onderscheiden artikelen;
- o
- § 1 van artikel 90bis van het bosdecreet (waarin aangegeven wordt onder welke voorwaarden een stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing of een verkavelingsvergunning voor geheel of gedeeltelijk beboste terreinen kan worden verleend) zal een onderdeel (§ 4) vormen van de beoordelingsgronden, opgesomd in artikel 4.3.1;
- o
- de paragrafen 2 en verder van artikel 90bis van het bosdecreet (waarin een decretale “compensatievoorwaarde” opgelegd wordt), zullen logischerwijs deel uitmaken van artikel 4.2.19, dat handelt over vergunningsvoorwaarden;
- –
- in de bestaande tekst van artikel 90bis van het bosdecreet van 13 juni 1990 werden volgende kleine tekstuele aanpassingen aangebracht:
- o
- de tekstinterne verwijzingen en de verwijzingen naar het DRO werden in overeenstemming gebracht met de nummeringswijze van de codex;
- o
- de diverse verwijzingen naar “het Agentschap” werden overeenkomstig het definitieartikel 4, 1°ter, van het bosdecreet vervangen door verwijzingen naar “het Agentschap voor Natuur en Bos”;
- o
- de term “vergunningverlenende overheid” werd stelselmatig vervangen door de elders in de codex gehanteerde term “vergunningverlenend bestuursorgaan”;
- o
- in de aanhef van artikel 4.3.1, § 4, van de codex is het begrip “ontbossing”, gehanteerd in de aanhef van artikel 90bis, § 1, eerste lid, van het bosdecreet, vervangen door het begrip “ontbossen in de zin van artikel 4, 15°, van het bosdecreet van 13 juni 1990”, zodanig dat duidelijk wordt gemaakt dat de decretale definiëring die aldaar gegeven wordt, ongewijzigd aangehouden blijft;
- o
- waar artikel 90bis, § 1, eerste lid, (eerste zin), van het bosdecreet bepaalt dat een ontheffing van het ontbossingsverbod slechts kan worden verkregen middels een stedenbouwkundige vergunning, wordt in artikel 4.3.1, § 4, eerste lid, van de codex duidelijkheidshalve (en zonder dat de inhoud van de gecoördineerde bepaling aangepast wordt) vermeld dat zulks ook mogelijk is middels een verkavelingsvergunning in de zin van artikel 4.2.17, § 1, eerste lid, 3°, van de codex, dewelke immers expliciet decretaal gelijkgesteld wordt met een stedenbouwkundige vergunning;
- o
- de paragrafen 2 t.e.m. 4 van artikel 90bis van het bosdecreet werden samengebracht in één paragraaf (§ 2) van artikel 4.2.19 van de codex;
- o
- de verwijzing naar “de inwerkingtreding van dit decreet” (artikel 90bis, § 2, eerste lid, 2°, en § 7, eerste lid, van het bosdecreet) werd omgezet in een verwijzing naar “de inwerkingtreding van het bosdecreet van 13 juni 1990”;
- o
- het begrip “de compensatie” in artikel 90bis, § 3, derde lid, van het bosdecreet werd (omwille van een consequent gebruik van dat begrip) vervangen door de term “de compensatieplicht”;
- o
- het begrip “werken van algemeen belang” in artikel 90bis, § 7, derde lid, van het bosdecreet werd om redenen van eenheid van terminologie vervangen door de (gedefinieerde) term “handelingen van algemeen belang”;
- –
- ten gevolge van de integratie van artikel 90bis van het bosdecreet werden volgende tekstuele aanpassingen aangebracht in de gecoördineerde DRO-teksten:
- o
- in de aanhef van artikel artikel 111, § 1, van het DRO, zoals gelibelleerd door het Aanpassings- en aanvullingsdecreet, wordt bepaald dat het vergunningverlenende bestuursorgaan aan een vergunning voorwaarden kan verbinden “onverminderd artikel 90bis van het bosdecreet van 13 juni 1990” (dat immers een (compensatie)voorwaarde van rechtswege omvat); deze zinsnede wordt in artikel 4.2.19, § 1, eerste lid, van de codex logischerwijs vervangen door de frase “onverminderd de voorwaarde van rechtswege in de zin van § 2” (nu deze § 2 de compensatieregeling van artikel 90bis van het bosdecreet zal omvatten);
- o
- in de aanhef van artikel 109, § 1, eerste lid, 3°, van het DRO, zoals gelibelleerd door het Aanpassings- en aanvullingsdecreet, wordt bepaald dat een verkavelingsvergunning ondermeer als stedenbouwkundige vergunning kan gelden voor de in de verkaveling begrepen ontbossingen, “onverminderd artikel 90bis van het bosdecreet van 13 juni 1990”; deze referentie aan het bosdecreet wordt nu in artikel 4.2.17, § 1, eerste lid, 3°, van de codex vervangen door een verwijzing naar de bepalingen van de codex waarin voormeld artikel 90bis is verwerkt (artikel 4.2.19, § 2, en artikel 4.3.1, § 4);
- –
- in artikel 4.3.8 van de codex, tot coördinatie van artikel 124 van het DRO, werd de verwijzing (in § 2, tweede lid) naar “de termijn, vermeld in het eerste lid, 3°” vervangen door een verwijzing naar de correcte vindplaats van de bedoelde uitvoeringstermijn, zijnde het eerste lid, 2°;
- –
- artikel 178 van het DRO, zoals vervangen door het Aanpassings- en aanvullingsdecreet, omvat een overgangsregeling betreffende de behandeling van aanvragen voor een planologisch c.q. stedenbouwkundig attest; in functie van een heldere rubricering (zie verder) werd dit artikel uiteengetrokken in twee gelijkluidende bepalingen, waarbij de eerste bepaling (artikel 7.5.2 in de codex) enkel het planologisch attest betreft, en waarbij de tweede bepaling (artikel 7.6.5 in de codex) betrekking heeft op het stedenbouwkundig attest;
- –
- telkens wanneer de in de coördinatie opgenomen teksten verwijzen naar de inwerkingtreding van het DRO, werd de datum van 1 mei 2000 ingevoegd (cfr. artikel 204 van het DRO);
- –
- telkens wanneer de in de coördinatie opgenomen teksten verwijzen naar de inwerkingtreding van het Aanpassings- en aanvullingsdecreet, werd de datum van 1 september 2009 ingevoegd (cfr. artikel 112 van het Aanpassings- en aanvullingsdecreet);
- –
- in artikel 7.4.9 van de codex (coördinatie van artikel 196bis van het DRO):
- o
- werd de term “plannen van aanleg, bedoeld in het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996” verkort tot het gedefinieerde begrip “plannen van aanleg”;
- o
- werd de temporele verwijzing naar “(één jaar na) het van kracht worden van deze bepaling” vervangen door een verwijzing naar 8 februari 2004/2005, aangezien het gecoördineerde artikel 196bis van het DRO, ingevoegd via artikel 59 van het decreet van 21 november 2003, in werking trad op 8 februari 2004;
- –
- waar nodig en mogelijk werden paragrafen uiteengesplitst in meerdere leden, om te voldoen aan randnr. 57.3 van de Beginselen van de Wetgevingstechniek (Raad van State, 2008), conform hetwelk een artikel slechts opgedeeld mag worden in paragrafen indien ten minste één van deze paragrafen bestaat uit meer dan één lid;
- –
- conform randnummer 6.2 van de Beginselen van de Wetgevingstechniek (Raad van State, 2008) werden alle hoofd- en rangtelwoorden uitgedrukt in letters, behalve bij geldbedragen, data, verwijzingen naar artikelen en getallen in tabellen;
- –
- alle tekstinterne verwijzingen werden gelibelleerd via de formules “, vermeld in artikel (...)” of “in de zin van artikel (...)”; overige varianten (“bedoeld in het eerste lid”, “zoals vermeld in artikel (...)”,...) werden in het kader van tekstuniformiteit weggewerkt.
Twee bepalingen die louter om redenen van wetshistoriek werden behouden in het DRO doch die volledig voorbijgestreefd zijn, werden ondergebracht in een bijlage I, “niet in de coördinatie opgenomen voorbijgestreefde bepalingen”. Afgezien van voornoemde beperkte en louter technische aanpassingen, werden geen tekstuele wijzigingen aangebracht aan de basisteksten. Om die reden is afgezien van een (in legistieke aanbevelingen soms aangeraden) voetnotenapparaat waarin bij elk artikel wordt vermeld welke wijzigingen die door de coördinatie in de oorspronkelijke tekst worden aangebracht. Beperkte “sanering” van de indeling in rubrieken. De teksten werden ingedeeld conform het basisconcept van het DRO. Titel I betreft inleidende bepalingen; Titel II de planning; Titel III de grootschalige stedenbouwkundige projecten; Titel IV het vergunningenbeleid; Titel V allerhande “diverse bepalingen”; Titel VI het handhavingsbeleid en Titel VII de temporele en overgangsmatige regelen. In Titel I vond een zeer kleine herschikking van artikelen plaats, doordat artikel 2, § 2, van het DRO omgevormd werd tot een eigenstandig artikel 1.1.5. Aangezien die bepaling betrekking heeft op elementen van dossiersamenstelling en -betekening, werd het legistiek niet aangewezen geacht om één en ander bij het definitieartikel 1.1.2 van de codex (dat de tekst van artikel 2, § 1, van het DRO omvat) onder te brengen. Enkel in Titel V en Titel VII werden meer ingrijpende “saneringen” doorgevoerd wat de rubricering betreft. In Titel V:
- –
- werden (naast bestaande clusters inzake de plannen- en vergunningsregisters, de ruimtelijke informatieplichten, het stedenbouwkundig attest en projectvergaderingen en de aanpak van de permanente bewoning van weekendverblijven) ook de ondersteunings- en evaluatiemaatregelen van artikelen 182 en 183 van het DRO ondergebracht;
- –
- werd tevens een nieuwe cluster ontwikkeld omtrent de raakvlakken tussen de ruimtelijke ordening met de sectorregelgeving; in dat hoofdstuk VI worden ten eerste alle maatregelen die raken aan het grond- en pandenbeleid gegroepeerd (register van de onbebouwde percelen, fiscale bepalingen, het Grondfonds, ontwikkelingsmogelijkheden van woonuitbreidingsgebieden); ten tweede wordt aangegeven op welke wijze bij de beoordeling van milieuvergunningsaanvragen en onteigeningsdossiers afgeweken kan worden van stedenbouwkundige voorschriften.
De temporele en overgangsmatige regelen in Titel VII worden ingedeeld conform de basisstructuur van het DRO; met andere woorden worden eerst institutionele regelen opgenomen, vervolgens regelen van planologische aard, daarna regelen inzake het vergunningenbeleid, enzovoort. Doorlopende nummering. Nieuwe nummeringswijze. De doorlopende en titelsgewijze (en hoofdstuksgewijze) nummering van de decreetartikelen overeenkomstig bijvoorbeeld het model van het Decreet Algemene Bepalingen Milieubeleid en het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid, werd integraal doorgevoerd. 1. De opmaak van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening geeft uitvoering aan artikel 110 van het decreet van 27 maart 2009 tot aanpassing en aanvulling van het ruimtelijke plannings-, vergunningen- en handhavingsbeleid (verder: “Aanpassings- en aanvullingsdecreet”). 2. Bij de redactie van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening werden volgende uitgangspunten gevolgd.
Ten eerste. De coördinatie dient zo nauw mogelijk aan te sluiten bij de letterlijke teksten van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (verder: “DRO”), met inbegrip van alle wijzigingen die daaraan werden aangebracht, inzonderheid door het Aanpassings- en aanvullingsdecreet. Hetzelfde geldt voor de integratie van de vergunningsregeling van artikel 90bis van het bosdecreet van 13 juni 1990. Ten tweede. De coördinatie dient de gekende indeling van het DRO (institutionele bepalingen; bepalingen inzake de ruimtelijke planning; bepalingen inzake het vergunningenbeleid; bepalingen inzake het handhavingsbeleid) te behouden, weze het dat een meer logische rubricering mag en moet worden uitgewerkt wat verscheidene “diverse bepalingen” en overgangsmaatregelen betreft. Ten derde. De coördinatie dient een heldere en doorlopende nummering van de decreetartikelen te omvatten, waarbij het model gevolgd wordt van het Decreet Algemene Bepalingen Milieubeleid en het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid, zodanig dat men uit het artikelnummer kan afleiden op welke rubriek het betrekking heeft:
- –
- artikelnummers die beginnen met “1” betreffen de inleidende bepalingen;
- –
- artikelnummers die beginnen met “2” betreffen bepalingen die betrekking hebben op de ruimtelijke planning;
- –
- artikelnummers die beginnen met “3” betreffen grootschalige stedenbouwkundige projecten;
- –
- artikelnummers die beginnen met “4” betreffen het vergunningenbeleid;
- –
- artikelnummers die beginnen met “5” betreffen diverse bepalingen inzake de plannen- en vergunningsregisters, de ruimtelijke informatieplichten, het stedenbouwkundig attest en projectvergaderingen, de aanpak van de permanente bewoning van weekendverblijven, ondersteunings- en evaluatiemaatregelen en de raakvlakken met sectorregelgeving;
- –
- artikelnummers die beginnen met “6” betreffen het handhavingsbeleid;
- –
- artikelnummers die beginnen met “7” betreffen temporele en overgangsmaatregelen;
- –
- artikel 8.1.1 bevestigt in navolging van artikel 110, § 2, van het Aanpassings- en aanvullingsdecreet dat de coördinatie aangehaald wordt als “Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening”.
3. Aan deze uitgangsprincipes werd meticuleus uitvoering gegeven.
Aansluiting bij de bestaande libelleringen. Ten opzichte van de in de coördinatie betrokken teksten werden slechts volgende logische wijzigingen aangebracht, geheel en al binnen de machtiging verleend in artikel 110, § 1, tweede lid, 3°, van het Aanpassings- en aanvullingsdecreet (naar luid waarvan de Vlaamse Regering de te coördineren bepalingen “met het oog op onderlinge overeenstemming, eenheid van terminologie en vereenvoudiging qua vorm” kan herschrijven, “zonder te raken aan de erin neergelegde beginselen”):
- –
- in het definitieartikel 1.1.2 van de codex (dat de tekst van artikel 2, § 1, van het DRO omvat) werden de daarin omschreven begrippen alfabetisch geordend;
- –
- bij de regeling van het voorkooprecht in de zin van de artikelen 2.4.1 en 2.4.2 is middels een voetnotenapparaat aangegeven welke voorkooprechtenregeling overgangsmatig zal gelden tot de inwerkingtreding van het decreet van 25 mei 2007 houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten;
- –
- artikel 90bis van het bosdecreet van 13 juni 1990 werd uiteengetrokken en ingepast in twee onderscheiden artikelen;
- o
- § 1 van artikel 90bis van het bosdecreet (waarin aangegeven wordt onder welke voorwaarden een stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing of een verkavelingsvergunning voor geheel of gedeeltelijk beboste terreinen kan worden verleend) zal een onderdeel (§ 4) vormen van de beoordelingsgronden, opgesomd in artikel 4.3.1;
- o
- de paragrafen 2 en verder van artikel 90bis van het bosdecreet (waarin een decretale “compensatievoorwaarde” opgelegd wordt), zullen logischerwijs deel uitmaken van artikel 4.2.19, dat handelt over vergunningsvoorwaarden;
- –
- in de bestaande tekst van artikel 90bis van het bosdecreet van 13 juni 1990 werden volgende kleine tekstuele aanpassingen aangebracht:
- o
- de tekstinterne verwijzingen en de verwijzingen naar het DRO werden in overeenstemming gebracht met de nummeringswijze van de codex;
- o
- de diverse verwijzingen naar “het Agentschap” werden overeenkomstig het definitieartikel 4, 1°ter, van het bosdecreet vervangen door verwijzingen naar “het Agentschap voor Natuur en Bos”;
- o
- de term “vergunningverlenende overheid” werd stelselmatig vervangen door de elders in de codex gehanteerde term “vergunningverlenend bestuursorgaan”;
- o
- in de aanhef van artikel 4.3.1, § 4, van de codex is het begrip “ontbossing”, gehanteerd in de aanhef van artikel 90bis, § 1, eerste lid, van het bosdecreet, vervangen door het begrip “ontbossen in de zin van artikel 4, 15°, van het bosdecreet van 13 juni 1990”, zodanig dat duidelijk wordt gemaakt dat de decretale definiëring die aldaar gegeven wordt, ongewijzigd aangehouden blijft;
- o
- waar artikel 90bis, § 1, eerste lid, (eerste zin), van het bosdecreet bepaalt dat een ontheffing van het ontbossingsverbod slechts kan worden verkregen middels een stedenbouwkundige vergunning, wordt in artikel 4.3.1, § 4, eerste lid, van de codex duidelijkheidshalve (en zonder dat de inhoud van de gecoördineerde bepaling aangepast wordt) vermeld dat zulks ook mogelijk is middels een verkavelingsvergunning in de zin van artikel 4.2.17, § 1, eerste lid, 3°, van de codex, dewelke immers expliciet decretaal gelijkgesteld wordt met een stedenbouwkundige vergunning;
- o
- de paragrafen 2 t.e.m. 4 van artikel 90bis van het bosdecreet werden samengebracht in één paragraaf (§ 2) van artikel 4.2.19 van de codex;
- o
- de verwijzing naar “de inwerkingtreding van dit decreet” (artikel 90bis, § 2, eerste lid, 2°, en § 7, eerste lid, van het bosdecreet) werd omgezet in een verwijzing naar “de inwerkingtreding van het bosdecreet van 13 juni 1990”;
- o
- het begrip “de compensatie” in artikel 90bis, § 3, derde lid, van het bosdecreet werd (omwille van een consequent gebruik van dat begrip) vervangen door de term “de compensatieplicht”;
- o
- het begrip “werken van algemeen belang” in artikel 90bis, § 7, derde lid, van het bosdecreet werd om redenen van eenheid van terminologie vervangen door de (gedefinieerde) term “handelingen van algemeen belang”;
- –
- ten gevolge van de integratie van artikel 90bis van het bosdecreet werden volgende tekstuele aanpassingen aangebracht in de gecoördineerde DRO-teksten:
- o
- in de aanhef van artikel artikel 111, § 1, van het DRO, zoals gelibelleerd door het Aanpassings- en aanvullingsdecreet, wordt bepaald dat het vergunningverlenende bestuursorgaan aan een vergunning voorwaarden kan verbinden “onverminderd artikel 90bis van het bosdecreet van 13 juni 1990” (dat immers een (compensatie)voorwaarde van rechtswege omvat); deze zinsnede wordt in artikel 4.2.19, § 1, eerste lid, van de codex logischerwijs vervangen door de frase “onverminderd de voorwaarde van rechtswege in de zin van § 2” (nu deze § 2 de compensatieregeling van artikel 90bis van het bosdecreet zal omvatten);
- o
- in de aanhef van artikel 109, § 1, eerste lid, 3°, van het DRO, zoals gelibelleerd door het Aanpassings- en aanvullingsdecreet, wordt bepaald dat een verkavelingsvergunning ondermeer als stedenbouwkundige vergunning kan gelden voor de in de verkaveling begrepen ontbossingen, “onverminderd artikel 90bis van het bosdecreet van 13 juni 1990”; deze referentie aan het bosdecreet wordt nu in artikel 4.2.17, § 1, eerste lid, 3°, van de codex vervangen door een verwijzing naar de bepalingen van de codex waarin voormeld artikel 90bis is verwerkt (artikel 4.2.19, § 2, en artikel 4.3.1, § 4);
- –
- in artikel 4.3.8 van de codex, tot coördinatie van artikel 124 van het DRO, werd de verwijzing (in § 2, tweede lid) naar “de termijn, vermeld in het eerste lid, 3°” vervangen door een verwijzing naar de correcte vindplaats van de bedoelde uitvoeringstermijn, zijnde het eerste lid, 2°;
- –
- artikel 178 van het DRO, zoals vervangen door het Aanpassings- en aanvullingsdecreet, omvat een overgangsregeling betreffende de behandeling van aanvragen voor een planologisch c.q. stedenbouwkundig attest; in functie van een heldere rubricering (zie verder) werd dit artikel uiteengetrokken in twee gelijkluidende bepalingen, waarbij de eerste bepaling (artikel 7.5.2 in de codex) enkel het planologisch attest betreft, en waarbij de tweede bepaling (artikel 7.6.5 in de codex) betrekking heeft op het stedenbouwkundig attest;
- –
- telkens wanneer de in de coördinatie opgenomen teksten verwijzen naar de inwerkingtreding van het DRO, werd de datum van 1 mei 2000 ingevoegd (cfr. artikel 204 van het DRO);
- –
- telkens wanneer de in de coördinatie opgenomen teksten verwijzen naar de inwerkingtreding van het Aanpassings- en aanvullingsdecreet, werd de datum van 1 september 2009 ingevoegd (cfr. artikel 112 van het Aanpassings- en aanvullingsdecreet);
- –
- in artikel 7.4.9 van de codex (coördinatie van artikel 196bis van het DRO):
- o
- werd de term “plannen van aanleg, bedoeld in het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996” verkort tot het gedefinieerde begrip “plannen van aanleg”;
- o
- werd de temporele verwijzing naar “(één jaar na) het van kracht worden van deze bepaling” vervangen door een verwijzing naar 8 februari 2004/2005, aangezien het gecoördineerde artikel 196bis van het DRO, ingevoegd via artikel 59 van het decreet van 21 november 2003, in werking trad op 8 februari 2004;
- –
- waar nodig en mogelijk werden paragrafen uiteengesplitst in meerdere leden, om te voldoen aan randnr. 57.3 van de Beginselen van de Wetgevingstechniek (Raad van State, 2008), conform hetwelk een artikel slechts opgedeeld mag worden in paragrafen indien ten minste één van deze paragrafen bestaat uit meer dan één lid;
- –
- conform randnummer 6.2 van de Beginselen van de Wetgevingstechniek (Raad van State, 2008) werden alle hoofd- en rangtelwoorden uitgedrukt in letters, behalve bij geldbedragen, data, verwijzingen naar artikelen en getallen in tabellen;
- –
- alle tekstinterne verwijzingen werden gelibelleerd via de formules “, vermeld in artikel (...)” of “in de zin van artikel (...)”; overige varianten (“bedoeld in het eerste lid”, “zoals vermeld in artikel (...)”,...) werden in het kader van tekstuniformiteit weggewerkt.
Twee bepalingen die louter om redenen van wetshistoriek werden behouden in het DRO doch die volledig voorbijgestreefd zijn, werden ondergebracht in een bijlage I, “niet in de coördinatie opgenomen voorbijgestreefde bepalingen”. Afgezien van voornoemde beperkte en louter technische aanpassingen, werden geen tekstuele wijzigingen aangebracht aan de basisteksten. Om die reden is afgezien van een (in legistieke aanbevelingen soms aangeraden) voetnotenapparaat waarin bij elk artikel wordt vermeld welke wijzigingen die door de coördinatie in de oorspronkelijke tekst worden aangebracht. Beperkte “sanering” van de indeling in rubrieken. De teksten werden ingedeeld conform het basisconcept van het DRO. Titel I betreft inleidende bepalingen; Titel II de planning; Titel III de grootschalige stedenbouwkundige projecten; Titel IV het vergunningenbeleid; Titel V allerhande “diverse bepalingen”; Titel VI het handhavingsbeleid en Titel VII de temporele en overgangsmatige regelen. In Titel I vond een zeer kleine herschikking van artikelen plaats, doordat artikel 2, § 2, van het DRO omgevormd werd tot een eigenstandig artikel 1.1.5. Aangezien die bepaling betrekking heeft op elementen van dossiersamenstelling en -betekening, werd het legistiek niet aangewezen geacht om één en ander bij het definitieartikel 1.1.2 van de codex (dat de tekst van artikel 2, § 1, van het DRO omvat) onder te brengen. Enkel in Titel V en Titel VII werden meer ingrijpende “saneringen” doorgevoerd wat de rubricering betreft. In Titel V:
- –
- werden (naast bestaande clusters inzake de plannen- en vergunningsregisters, de ruimtelijke informatieplichten, het stedenbouwkundig attest en projectvergaderingen en de aanpak van de permanente bewoning van weekendverblijven) ook de ondersteunings- en evaluatiemaatregelen van artikelen 182 en 183 van het DRO ondergebracht;
- –
- werd tevens een nieuwe cluster ontwikkeld omtrent de raakvlakken tussen de ruimtelijke ordening met de sectorregelgeving; in dat hoofdstuk VI worden ten eerste alle maatregelen die raken aan het grond- en pandenbeleid gegroepeerd (register van de onbebouwde percelen, fiscale bepalingen, het Grondfonds, ontwikkelingsmogelijkheden van woonuitbreidingsgebieden); ten tweede wordt aangegeven op welke wijze bij de beoordeling van milieuvergunningsaanvragen en onteigeningsdossiers afgeweken kan worden van stedenbouwkundige voorschriften.
De temporele en overgangsmatige regelen in Titel VII worden ingedeeld conform de basisstructuur van het DRO; met andere woorden worden eerst institutionele regelen opgenomen, vervolgens regelen van planologische aard, daarna regelen inzake het vergunningenbeleid, enzovoort. Doorlopende nummering. Nieuwe nummeringswijze. De doorlopende en titelsgewijze (en hoofdstuksgewijze) nummering van de decreetartikelen overeenkomstig bijvoorbeeld het model van het Decreet Algemene Bepalingen Milieubeleid en het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid, werd integraal doorgevoerd.
| (1) |
(Overgangsbepaling) Tot de door de Vlaamse Regering te bepalen inwerkingtredingsdatum van het decreet van 25 mei 2007 houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten luidt dit artikel als volgt: Het Vlaamse Gewest, de provincies, de gemeenten, de intercommunales, de instellingen die ressorteren onder het Vlaamse Gewest, de provincies en de gemeenten, alsook de vennootschappen die een erkenning hebben van die instellingen of besturen kunnen, ter verwezenlijking van een ruimtelijk uitvoeringsplan, een recht van voorkoop uitoefenen bij de verkoop van een onroerend goed dat gelegen is in die zones die in het definitief vastgestelde ruimtelijk uitvoeringsplan als zones waar het voorkooprecht geldt, worden aangeduid. Het Vlaamse Gewest, de provincies, de gemeenten, de intercommunales, de instellingen die ressorteren onder het Vlaamse Gewest, alsook de vennootschappen die een erkenning hebben van die instellingen of besturen kunnen, ter verwezenlijking van een ruimtelijk uitvoeringsplan de Vlaamse Grondenbank verzoeken om in hun naam en voor hun rekening en binnen de door hen gestelde voorwaarden, het recht van voorkoop uit te oefenen bij verkoop van onroerende goederen die gelegen zijn in die zones die in het definitief vastgestelde ruimtelijk uitvoeringsplan als zones waar het recht van voorkoop geldt, worden aangeduid. Elk definitief vastgesteld ruimtelijk uitvoeringsplan bepaalt voor elk van die zones welk bestuur, intercommunale, instelling of erkende vennootschap begunstigd is met het voorkooprecht. Indien meerdere instanties begunstigd worden, bepaalt het ruimtelijk uitvoeringsplan een rangorde. De eigenaars van de goederen, gelegen binnen de omtrek van de zones waar het voorkooprecht geldt, worden ten laatste op de dag van de inwerkingtreding van het uitvoeringsplan, bij aangetekend schrijven in hun woonplaats op de hoogte gesteld van dit feit. Dit gebeurt op basis van de kadastrale gegevens. De brief vermeldt de adressen van de instantie of instanties die moeten aangeschreven worden voor een eventueel aanbod van het voorkooprecht. Dat recht van voorkoop doet geen afbreuk aan een op 30 juli 1993 bestaand recht van voorkoop. Het recht van voorkoop is niet van toepassing op goederen die het voorwerp zijn van een handelshuurovereenkomst die afgesloten werd vóór 1 mei 2000. Het voorkooprecht geldt slechts voor openbare verkopen waarvan de eerste of enige zitdag gehouden wordt twee maand of meer na de inwerkingtreding van het ruimtelijk uitvoeringsplan en verkopen uit de hand waarvan de akte wordt verleden vier maand of meer na de inwerkingtreding van het ruimtelijk uitvoeringsplan. Het recht van voorkoop vervalt wanneer het niet wordt uitgeoefend binnen een termijn van acht jaar, te rekenen vanaf de inwerkingtreding van het ruimtelijk uitvoeringsplan. Titel IV, hoofdstukken I en VI, van het decreet van 16 juni 2006 betreffende de oprichting van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen is van toepassing op dit recht van voorkoop. |
| (2) |
(Overgangsbepaling) Tot de door de Vlaamse Regering te bepalen inwerkingtredingsdatum van het decreet van 25 mei 2007 houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten luidt dit artikel als volgt: Het recht van voorkoop geldt niet in geval van:
- 1°
- verkoop van het goed aan de echtgenoot, de samenwonende partner of de kinderen van de eigenaar;
- 2°
- verkoop van het goed aan de echtgenoot, de samenwonende partner of de kinderen van de mede-eigenaar;
- 3°
- verkoop van het goed aan de ascendenten en de verwanten in de zijlijn tot in de tweede graad van de eigenaar;
- 4°
- verkoop van het goed aan een personenvennootschap waarvan de werkende vennoten of de vennoten die ten minste drie vierde van het kapitaal bezitten, in eenzelfde betrekking van bloedverwantschap, aanverwantschap of samenwoning staan tot de verkoper als vermeld onder 1°, 2° of 3°;
- 5°
- verkoop van loten in een verkaveling vergund na de inwerkingtreding van het ruimtelijk uitvoeringsplan, voorzover de verkavelingsvergunning werd aangevraagd door het Vlaamse Gewest, een provincie, een gemeente, een intercommunale, een instelling die ressorteert onder het Vlaamse Gewest, de provincie of de gemeente, of een vennootschap die een erkenning heeft van dergelijke instelling of bestuur.
|
| (3) |
(Overgangsbepaling) Tot de door de Vlaamse Regering te bepalen inwerkingtredingsdatum van het decreet van 25 mei 2007 houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten gelden tevens volgende bepalingen: |
| (4) |
Overeenstemmend met artikel 188, eerste lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening. |
| (5) |
Artikel 4.4.2, § 1, van de codex. |
| (6) |
Onderafdeling 2 van titel IV, hoofdstuk IV, afdeling 2, van de codex. |
| (7) |
Overeenstemmend met artikel 195quinquies van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, ingevoegd bij decreet van 13 juli 2001 en gewijzigd door de decreten van 8 maart 2002 en 21 november 2003 en door het decreet van 27 maart 2009 tot aanpassing en aanvulling van het ruimtelijke plannings-, vergunningen- en handhavingsbeleid. |
|