Login

Artikel 29bis WAM



Lenvain PatrickIn het tijdschrift Verkeer, aansprakelijkheid en verzekering (VAV) verscheen een bijdrage van de hand van Patrick Lenvain. Hierin behandelt hij de toepassingsvoorwaarden van artikel 29bis WAM. Zowel de begrippen ‘verkeersongeval’ en ‘motorrijtuig’ als de noties ‘betrokkenheid’, ‘vergoedingsgerechtigden’ en ‘vergoedbare schade’ worden besproken aan de hand van recente rechtspraak. Ook ongevallen gebeurd in het buitenland en het verhaalsrecht van de WAM-verzekeraar voor zijn uitgaven komen aan bod. Hierna volgt een samenvatting van deze bijdrage.

De bepaling van artikel 29bis WAM is van openbare orde, maar beschermt alleen de zwakke weggebruiker en niet de verzekeraar. Ook slachtoffers van treinongevallen komen voor vergoeding in aanmerking: het Hof van Cassatie oordeelde in een arrest van 11 januari 2010 dat dergelijke ongevallen niet alleen tot de bevoegdheid van de politierechtbank behoren maar ook dat op dergelijke ongevallen artikel 29bis WAM moet worden toegepast.

Opdat artikel 29bis WAM van toepassing zou zijn, moet het verkeersongeval zich hebben voorgedaan op een plaats bedoeld in artikel 2 § 1 WAM, hetzij dus op een openbare weg of op een terrein toegankelijk voor het publiek of minstens voor een zeker aantal personen die het recht hebben om er te komen.

Er moet bovendien een motorrijtuig in de zin van artikel 1 WAM bij ‘betrokken’ zijn, wat inhoudt dat de schade zonder dat motorrijtuig niet zou zijn ontstaan of minstens niet op dezelfde wijze zou zijn ontstaan. De bewijslast van die betrokkenheid rust op diegene die zich op de toepassing van artikel 29bis WAM beroept.

De bestuurder van het betrokken motorrijtuig en diegene die ouder zijn dan 14 jaar en het ongeval en de gevolgen ervan hebben gewild, zijn van vergoeding uitgesloten, behalve als de bestuurder optreedt als rechthebbende van een slachtoffer dat zelf geen bestuurder was en op voorwaarde dat de schade niet opzettelijk werd veroorzaakt.

De bewijslast omtrent de hoedanigheid van bestuurder of passagier rust volgens het Hof van Cassatie op diegene die vergoeding vordert en zich dus op artikel 29bis WAM beroept.

Als het bewijs wordt geleverd dat men een beschermd slachtoffer is, komt alle schade voor vergoeding in aanmerking, behalve de materiële schade sensu stricto (bijvoorbeeld fietsschade).

Wat de ongevallen in het buitenland betreft, kan verwezen worden naar de artikels 3 en 4 van het verdrag van Den Haag, dat volgens het Hof van Cassatie ook toepassing vindt op vorderingen die gesteund zijn op artikel 29bis WAM.

De verzekeraar die een vergoeding op grond van artikel 29bis WAM heeft uitbetaald, kan in bepaalde gevallen zijn uitgaven, of een deel ervan, terugvorderen hetzij tegenover derden (bijvoorbeeld een derde aansprakelijke of de verzekeraar van een ander betrokken motorrijtuig) hetzij tegenover zijn eigen verzekerde. Wat deze laatste mogelijkheid betreft, rijst de vraag of de verzekeraar dan moet bewijzen of zijn verzekerde wel voor het ongeval aansprakelijk is. De feitenrechters hebben al herhaaldelijk geoordeeld dat dergelijk bewijs moet geleverd worden, maar in een arrest van 19 februari 2009 (VAV 2010/1, 4) blijkt het Hof van Cassatie deze vereiste niet als noodzakelijk te beschouwen.

Patrick Lenvain is rechter bij de politierechtbank te Brussel.


Bron: Patrick LENVAIN, “Artikel 29bis WAM-Wet: toepassing en bespreking van recente rechtspraak”, VAV 2010, afl. 4, 251-259.

Klik hier voor meer informatie over het tijdschrift Verkeer, aansprakelijkheid en verzekering (VAV).