1. Algemene regels
1.1 Verwijzingen
1.1.1. Verwijswoorden
1. Om aan te sluiten bij de internationale gebruiken, wordt voor verwijswoorden de voorkeur gegeven aan Latijnse woorden en afkortingen:
- supra (‘hierboven’);
- infra (‘hieronder’);
- v ° (afkorting van ‘verbo’ in de betekenis van ‘onder het trefwoord’ (‘tw.’));
- cf. (afkorting van ‘conferatur’ in de betekenis van ‘vergelijk’ (‘vgl.’));
- et al. (afkorting van ‘et alii’ in de betekenis van ‘en andere(n)’);
- et seq. (afkorting van ‘et sequitur’ of ‘et sequentes’ (‘en wat volgt’/‘en volgende’).
Enkel in onmiddellijk op elkaar volgende voetnoten, waar slechts één en dezelfde bron wordt aangehaald, kan gebruik gemaakt worden van:
- ibid. (afkorting van ‘ibidem’ in de betekenis van ‘op dezelfde plaats’).
Vroeger gebruikelijke afkortingen, waarvan het gebruik echter wordt afgeraden ( infra nr. 4 en 224), zijn:
- o.c. (afkorting van ‘opus citatus’ of ‘opere citato’ in de betekenis van ‘aangehaald werk’ of ‘in het aangehaalde werk’ (‘a.w.’));
- l.c. (afkorting van ‘loco citato’ in de betekenis van ‘ter aangehaalde plaats’ (‘t.a.p.’)).
2. Het is aanbevolen deze verwijzende woorden en afkortingen te cursiveren (in handgeschreven teksten te onderstrepen).
3. Verwijzingen binnen de tekst naar wat voordien werd geschreven of later zal worden uiteengezet, worden aangeduid door de woorden supra en infra, gevolgd door, bij voorkeur, zowel de bladzijde als het nummer of de noot, zoniet de bladzijde, het nummer of de noot.
- Supra 84, nr. 22.
- Infra 173, noot 10.
1.1.2. Herhalingen van verwijzingen
4. Van verwijzende woorden en afkortingen als o.c., l.c. en ibid. wordt het liefst geen gebruik gemaakt. Voor de lezer is het gemakkelijker als hij telkens de volledige verwijzing kan lezen en voor de schrijver is het met de hedendaagse tekstverwerkers geen moeite om de volledige verwijzing te kopiëren.
5. Alleen wanneer heel frequent uit dezelfde bron geput wordt, kan het stijlvoller zijn om met verkorte verwijzingen te werken. Als er een bibliografie bij het werk hoort, dan vindt de lezer gemakkelijk de volledige verwijzing daarin. In een tekst zonder bibliografie wordt een eerste vermelding in voetnoot voluit geschreven, eventueel gevolgd door de verkorte vermelding na de woorden ‘hierna verkort’, tussen haakjes. Wat rechtsleer betreft, kan vanaf de tweede vermelding volstaan worden met de initiaal en de familienaam van de auteur en een of enkele woorden uit de titel ( infra nr. 224). Uit deze verkorte citeerwijze blijkt meteen dat voor meer informatie naar een vroegere voetnoot of de bibliografie moet worden gekeken. Als die vorige voetnoot veraf staat, dan is het aanbevolen naar de betreffende noot te verwijzen.
Wet 4 december 2006 houdende de omzetting in Belgisch recht van de richtlijn 2001/84/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2001 betreffende het volgrecht ten behoeve van de auteur van een oorspronkelijk kunstwerk,
BS 23 januari 2007 (ed. 2) (hierna verkort Volgrechtwet).
B. Bouckaert, Algemene Rechtsleer. Functies en bronnen van het recht, Antwerpen, Maklu, 2004, 143 p. (hierna verkort B. Bouckaert, Algemene rechtsleer ).
B. Bouckaert, Algemene rechtsleer, supra 14, noot 20
1.1.3. Volgorde van de rechtsbronnen
6. Bij de volgorde van verwijzingen dient de hiërarchie van de rechtsbronnen te worden geëerbiedigd. Eerst komen dus de referenties aan de wetgeving in de brede zin, vervolgens de verwijzingen naar de rechtspraak en ten slotte die naar de rechtsleer.
7. Tussen twee referenties staat een kommapunt.
- Art. 6 EVRM; art. 1382 BW; Cass. 5 november 1920, Pas. 1920, I, 193; A. Coppens, “De volmaakte rechtsstaat”, RW 2002-03, 1241-1254.
1.1.4. Standpunten binnen de referenties in voetnoten
8. Wanneer de auteur zijn standpunt baseert op een rechtsbron, volstaat de verwijzing naar deze bron zonder enige verdere aanduiding. Wat de auteur schrijft, is dus hetzelfde als wat de bron inhoudt.
- Cass. 9 januari 2006, NJW 2007, 128.
9. Neutrale verwijzingen naar rechtsbronnen waarin de besproken problematiek wordt behandeld, worden aangeduid met “zie”.
- Zie J. Verplaetse, For the sake of argument. Argumentatieleer voor juristen en ethici, Antwerpen, Maklu, 2004, 75-77.
10. Wanneer in wetteksten, rechtsleer of rechterlijke beslissingen waarnaar wordt verwezen hetzelfde probleem wordt behandeld als in de eigen studie, maar in ruimere zin of met nuanceringen, verdient de vermelding “zie ook” de voorkeur.
- Zie ook C. De Roy en S. Vandromme, Bijzondere opsporingsmethoden en aanverwante onderzoeksmethoden, Antwerpen, Intersentia, 2004, 150 p.
11. Wanneer het probleem in de aangehaalde tekst anders, maar niet in strijd met het eigen standpunt wordt benaderd, dan gebruikt men de afkorting cf.
- Cf. Arbh. Antwerpen 20 november 1995, RW 1995-96, 1347.
12. Wordt in de rechtsbron waarnaar wordt verwezen een standpunt verdedigd of toegepast dat strijdig is met de mening die de auteur zelf voorhoudt, dan schrijft men contra.
- Contra Cass. 30 april 1996, RW 1996-97, 124.
1.2. Hoofdletters, punten en cursivering
1.2.1. Hoofdletters
1.2.1.1. Algemeen
13. Het gebruik van hoofdletters, zoals spelling in het algemeen, steunt op afspraken die zijn vastgelegd in de leidraad die voorafgaat aan de Woordenlijst Nederlandse taal, het zgn. Groene Boekje. In de editie van 2005 zijn de regels voor hoofdletters ten opzichte van de editie van 1995 explicieter en tegelijk eenvoudiger geworden.
14. Er zijn drie grote redenen om hoofdletters te gebruiken. Een woord krijgt een hoofdletter als het:
- aan het begin van een zin staat;
- als het respect uitdrukt;
- de status heeft van een eigennaam.
1.2.1.2. Begin van een zin
15. Het eerste woord van een zin krijgt een hoofdletter. Dat geldt ook voor het begin van een citaat, een aanhef of een adressering ( Artikel 4 van de wet bepaalt: “Indien de eigenaar...” ). Na een dubbele punt waarna geen citaat komt, volgt geen hoofdletter ( Er zijn twee gewone rechtsmiddelen: verzet en hoger beroep ), evenmin als na een kommapunt. Als een zin met een cijfer of een symbool begint - wat echter af te raden is -, krijgt het volgende woord geen hoofdletter ( 6 van die voorschriften bepalen... ). Dergelijke zinnen kunnen het best worden vermeden door het cijfer voluit te schrijven ( Zes van die voorschriften bepalen... ).
1.2.1.3. Respect
16. Het gebruik van hoofdletters uit respect wordt door het Groene Boekje beperkt tot heilige personen of begrippen ( God, Allah, de Heilige Maagd ). In een aanhef van een brief kan om bijzonder respect uit te drukken, ook een hoofdletter worden gebruikt. Het Groene Boekje beperkt zijn voorbeelden hier echter tot de koning ( Majesteit) en de paus (Heilige Vader). In andere gevallen volstaat een kleine letter vanaf het tweede woord ( Geachte heer, Mijnheer de voorzitter ), ook voor de voornaamwoorden u/uw.
1.2.1.4. Eigennamen
17. De regel dat een eigennaam een hoofdletter krijgt, leidt veruit tot de meeste moeilijkheden omdat niet altijd gemakkelijk uit te maken is wat een eigennaam is. De Woordenlijst 2005 heeft daarom de regels explicieter en eenvoudiger gemaakt. Ze gelden in principe enkel voor Nederlandstalige namen.
Anderstalige eigennamen schrijven we zoals in de taal van oorsprong ( Supreme Court, Cour de cassation, Bundesverfassungsgericht).
1.2.1.4.1. Instellingen
18. Namen van instellingen en instanties krijgen een hoofdletter (aan ieder zelfstandig en bijvoeglijk naamwoord) als ze uniek zijn: Europese Unie, Staat (= België, t.o.v. de staten van de Europese Unie), Rijk, Kamer, Senaat, Vlaams Parlement (= officiële benaming, t.o.v. het Vlaamse parlement, gebruikt als soortnaam), Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer. Maar: gemeenschappen en gewesten, regering, college van burgemeester en schepenen, faculteitsraad, raad van bestuur.
Samenstellingen en afleidingen van instellingen met een hoofdletter, behouden die: Kamerfractie, Kamerreglement, Senaatscommissie, Senaatszitting, Unievoorzitter. Samenstellingen met Staat en Rijk verliezen de hoofdletter: staatsbelang, rijksschuld.
1.2.1.4.2. Rechtscolleges
19. Voor rechtscolleges gelden dezelfde regels als voor instellingen. Unieke rechtscolleges krijgen hoofdletters: het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, het Grondwettelijk Hof, het Hof van Cassatie, de Raad van State, het Rekenhof. Rechtscolleges waarvan er meer zijn, krijgen geen hoofdletters, ook al wordt verwezen naar één specifieke rechtbank: de politierechtbank te Kortrijk, de rechtbank van koophandel van Gent, het hof van beroep te Antwerpen, de griffie van de jeugdrechtbank van Mechelen.
1.2.1.4.3. Functies
20. Titels en functiebenamingen krijgen een kleine letter: de burgemeester van Hasselt, de gouverneur van Oost-Vlaanderen, de premier en de minister-president waren aanwezig. De koning belast de minister van Justitie (merk op dat Justitie zelf een hoofdletter heeft, omdat het de eigennaam is van deze federale overheidsdienst) met de uitvoering van deze wet. Gisteren heeft koning Albert II een ontmoeting gehad met paus Benedictus XVI, waarbij ook de rector van het seminarie en de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie aanwezig waren. Mevrouw de voorzitter, wij vragen uitstel in deze zaak. De griffier en de auditeur-generaal gingen lunchen met de gedelegeerd bestuurder.
1.2.1.4.4. Titels van publicaties
21. In titels van boeken, tijdschriftartikelen en nota’s krijgt het eerste woord een hoofdletter: Beginselen van wetgevingstechniek en behoorlijke regelgeving. Het gebruik van hoofdletters bij alle zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden, werkwoorden, bijwoorden en telwoorden is door het Engels geïnspireerd maar maakt een onrustige indruk en wordt dus het best vermeden: Beginselen van Wetgevingstechniek en Behoorlijke Regelgeving.
22. Gebruikelijke hoofdletters in tijdschriftnamen kunnen, op basis van het donorprincipe (d.i. respecteer de spelling die de instelling of het medium zelf gebruikt), behouden blijven wanneer ze in de tekst voluit geschreven worden (voor afkortingen, infra nr. 240 et seq.).
1.2.1.4.5. Wettelijke en reglementaire akten
23. Van wetboeken krijgen alle zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden een hoofdletter, omdat ze als ‘uniek’ kunnen worden beschouwd: het Burgerlijk Wetboek, de Grondwet. Hetzelfde geldt voor verkorte citeerwijzen: Decreet Bijzondere Jeugdbijstand, Wet Achtergelaten Voorwerpen.
24. Andere wetgevende akten krijgen geen hoofdletters: ik verwijs naar artikel 2 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen.
1.2.2. Afkortingen, letterwoorden en initiaalwoorden
25. Onderstaande regels gelden voor de spelling van afkortingen, letterwoorden en initiaalwoorden in het algemeen. Verderop volgen specifieke instructies voor juridische afkortingen en letterwoorden die omwille van de uniformiteit en de bondigheid soms licht van deze algemene regels afwijken. De gedetailleerde regels verderop hebben dan voorrang op de algemene principes hieronder.
26. Afkortingen, letterwoorden en initiaalwoorden moeten snel en eenvoudig kunnen worden begrepen door de lezer. Vermeld daarom de naam van een instelling of organisme die verder zal worden afgekort, de eerste maal voluit, gevolgd door de afkorting tussen haakjes: Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ). Op die manier kan verderop alleen de afkorting worden gebruikt.
27. De Woordenlijst 2005 maakt het onderscheid tussen afkortingen, letterwoorden en initiaalwoorden.
- Afkortingen spreken we altijd voluit uit, we lezen met andere woorden nooit de afkorting zelf. Afkortingen krijgen daarom een punt op het einde en hoofdletters waar die ook in de uitdrukking voluit staan: bv., bijv. (bijvoorbeeld), p. (pagina), m.b.t. (met betrekking tot), mr. (meester), Z.M. (Zijne Majesteit).
- Bij initiaalwoorden en letterwoorden spreken we de verkorte vorm uit. Als we letters apart uitspreken, is er sprake van een initiaalwoord. Lezen we het geheel als een gewoon woord, dan is er sprake van een letterwoord. In beide gevallen worden geen punten gebruikt en worden de hoofdletters uit de volledige uitdrukking overgenomen: pc, tv, pin, SERV, NAVO, SIS-kaart. Volgens het Groene Boekje zouden daarom ook bvba, cao en btw met kleine letter en zonder punten moeten geschreven worden. Omdat de wetgever echter zelf een andere spelling heeft voorgeschreven, zijn beide toegestaan. Consequentie binnen een tekst is natuurlijk heel belangrijk.
28. De afgekorte namen van wetten, besluiten en beleidsplannen schrijven we zonder punten en met hoofdletters, ook als de uitgeschreven vormen geen hoofdletters bevatten: KB (koninklijk besluit), MB (ministerieel besluit), MAP (Mestactieplan). Op basis van deze regel krijgen de afkortingen van regelgeving een hoofdletter (Decr., Verord.), hoewel ze voluit zonder hoofdletter worden geschreven.
1.2.3. Punten, spaties en haakjes
29. Een zin wordt beëindigd door een punt, gevolgd door een spatie. Als een zin al eindigt op een punt van een afkorting, komt er geen extra punt. Als de zin eindigt met een citaat dat op zich al eindigt met een leesteken ( Hij vroeg: “Hoe gaat het?” ), geldt hetzelfde.
30. Ook een voetnoot, al dan niet in de vorm van een zin met onderwerp en persoonsvorm, eindigt steeds met een punt.
31. Na een titel, een datum of ondertekening (bv. in een brief) komt geen punt.
32. Om een onderbreking in een citaat aan te geven worden drie puntjes tussen ronde haakjes gebruikt. Binnen de haakjes staat geen spatie voor en na de drie puntjes, voor en na de haakjes wel. ( Artikel 14 bepaalt: “De consument kan het contract binnen de zeven dagen (...) opzeggen.” )
33. Na het punt op het einde van een afkorting staat een spatie. Punten binnen een afkorting worden niet gevolgd door een spatie ( a.u.b., A.F.Th. Van der Heijden ).
34. Vierkante haakjes worden gebruikt voor redactioneel commentaar (“ Ik leg het probleem volgende week voor aan de Knesset [het Israëlische parlement]”, aldus de president. ), aanpassingen ( De boete zal minstens 100.000 frank [ca. 2.500 EUR] bedragen.) van of opmerkingen bij ( “Dat is gebeurt [sic] tijdens mijn afwezigheid”, schreef de directeur in zijn verslag. ) een geciteerde of vertaalde tekst.
35. Voor leestekens staat nooit een spatie. Na een leesteken volgt altijd een spatie. Dit geldt natuurlijk niet voor de punt die mag gebruikt worden om lange cijfers leesbaarder te maken. Zo mag je verwijzen naar bladzijde 38.866 van het Belgisch Staatsblad of naar 38866. Zoals steeds, is ook hier consequentie aanbevolen.
1.2.4. Cursivering en aanhalingstekens
36. Aanhalingstekens worden gebruikt om citaten en woorden met een speciale status aan te geven.
Citaten staan tussen aanhalingstekens. Het onderscheid tussen enkele en dubbele aanhalingstekens ligt daarbij niet vast. Meest gangbaar is om dubbele aanhalingstekens ( “citaat” ) te gebruiken voor citaten en enkele ( ‘citaat binnen citaat’ ) voor citaten binnen citaten. Langere citaten krijgen vaak een extra insprong (enkel links of zowel links als rechts naargelang van de wens van de redacteur).
37. Voor woorden met een speciale status worden meestal enkele aanhalingstekens of cursivering gebruikt. Hieronder vallen woorden in hun zelfnoemfunctie ( het woord ‘recht’ ) of die ironisch of als woordspeling worden gebruikt ( deze programmawet werd ‘grondig’ voorbereid ). Anderstalige uitdrukkingen die niet opgenomen zijn in het Nederlandse taaleigen, staan doorgaans cursief en niet tussen aanhalingstekens (de societas leonina, de techniek sale-and-lease-back ). Zo plaatst de Belgische wetgever 'bis', 'ter', etc. in cursief, maar de commissie laat de keuze hierover vrij.
38. Gebruik dergelijke typografische aanduidingen spaarzaam omdat ze een tekst snel onrustig maken. Vermijd om dezelfde reden onderstrepingen en vet in een doorlopende tekst.
1.3. Gedrukte en onlinebronnen
1.3.1. Inleiding
39. In de vorige editie van deze gids was enkel sprake van gedrukte rechtsbronnen. Intussen is het landschap van de rechtsbronnen erg veranderd. Nadat enkele jaren cd’s gebruikt werden, gaat het vandaag vooral om onlinepublicaties. Enkele websites gaan uit van overheden en zijn de unieke en quasi officiële publicatie van wetgeving, sommige bevatten (quasi) exhaustieve edities van de uitspraken van een gerechtelijke instelling. Andere websites worden heel professioneel beheerd door private uitgevers en zijn slechts tegen betaling toegankelijk. Weer andere zijn ronduit onbetrouwbaar.
De hier voorgestelde vuistregels beogen uniformiteit, transparantie en efficiënte gebruikswaarde, zonder al te omslachtig te zijn. Gezien de snelle ontwikkeling van de technologie zelf, zullen nieuwe gebruiksmogelijkheden wellicht updates van het verwijzingssysteem noodzakelijk maken.
Het gebruik van het internet biedt momenteel inderdaad onvoldoende stabiliteit voor het vaststellen van uitgebreide richtlijnen voor verwijzingen en afkortingen m.b.t. elektronische bronnen. Terwijl sommige bronnen van informatieverspreiding met daarbij horende technologieën plots opduiken (blog, RSS etc.), verdwijnen andere applicaties (nieuwsgroepen) snel. Er worden daarom slechts enkele beginselen geformuleerd, die technologie-onafhankelijk zijn en zo weinig mogelijk beïnvloed kunnen worden door de voortdurende veranderingen in de ICT-sectoren. Bovendien sporen de verwijzingswijzen voor gedrukte en onlinebronnen het best zoveel mogelijk.
1.3.2. Wanneer verwijzen naar de onlinevindplaats (URL)?
1.3.2.1. Principe
40. De volgende regels gelden vooral voor recente bronnen. Oudere rechtsbronnen zijn vaak alleen in gedrukte vorm beschikbaar. Daarvoor gelden natuurlijk de regels voor het verwijzen naar gedrukte bronnen.
Als er zowel online als gedrukte vindplaatsen zijn van dezelfde bron, gaat de voorkeur uit naar de meest betrouwbare publicatie. Voor wetgeving is dit altijd de officiële publicatie. Daarom moet voor interne wetgeving van voor 2003 naar het gedrukte Staatsblad verwezen worden. Voor rechtspraak en rechtsleer is betrouwbaarheid moeilijker te beoordelen en daarom wordt het best verwezen naar de effectief geconsulteerde versie. Indien de auteur een gedrukte versie gebruikte, maar op de hoogte is van een onlineversie, dan kan hij deze eraan toevoegen.
1.3.2.2. Wetgeving
41. Bij internationale, Europese en Belgische wetgeving hoeft niet verwezen te worden naar de URL. De meeste overheden bieden vandaag immers online alle wetgeving aan, zowel de officiële publicaties als de geconsolideerde versies. De jurist wordt verondersteld www.staatsblad.be, www.codex.vlaanderen.be, www.eurlex.eu etc. te kennen. Enkel voor wetgeving van andere landen kan facultatief verwezen worden naar de gebruikelijke URL, waar de officiële of de officieuze (geconsolideerde) publicaties te vinden zijn.
1.3.2.3. Rechtspraak
42. Voor de verwijzing naar onlinevindplaatsen van rechtspraak maakt men het onderscheid tussen internationale, Europese en Belgische rechtscolleges die hun relevante uitspraken in full text online publiceren in een vrij toegankelijke overheidsdatabank en rechtscolleges waarvoor dit niet geldt. In het eerste geval hoeft niet te worden verwezen naar de URL. Anno 2007 geldt dit alvast voor het Internationaal Gerechtshof, het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, het Hof en het Gerecht van Eerste Aanleg van de Europese Gemeenschappen, het Benelux Gerechtshof, het Grondwettelijk Hof, het Hof van Cassatie en de Raad van State.
43. In het andere geval moet wel verwezen worden naar de onlinevindplaats. Dit kan bijvoorbeeld de site zijn van een juridisch tijdschrift, een beroepsinstituut, een bestuurscollege, een onderzoeksgroep, een advocatenkantoor etc. ( infra nr. 144 et seq. ).
44. Voor rechtspraak van rechtscolleges van andere landen wordt het best verwezen naar de onlinevindplaats van de uitspraken.
1.3.2.4. Rechtsleer
45. Indien een bron enkel online gepubliceerd is, moet altijd verwezen worden naar de URL.
1.3.3. Hoe verwijzen naar een onlinebron?
1.3.3.1. Volgorde van gedrukte en onlinevindplaatsen
46. Indien zowel naar een gedrukte als een onlinevindplaats verwezen wordt, wordt altijd eerst naar de gedrukte vindplaats verwezen en pas daarna (dus op het einde) naar de onlinevindplaats. Indien er meerdere vindplaatsen zijn, wordt de laatste vindplaats (die een onlinevindplaats is) voorafgegaan door het woord ‘en’.
1.3.3.2. Hyperlink
47. De hyperlink wordt in gedrukte teksten altijd onderstreept. In een elektronische versie wordt hij eventueel ook op een andere manier gemarkeerd en blijft hij in elk geval actief.
48. ‘Http://’ mag weggelaten worden indien het adres begint met ‘www.’
49. Plaats van de hyperlink.
- In een bibliografie wordt de hyperlink helemaal op het eind van de bronvermelding geplaatst (dus bij een boek na vermelding van plaats van uitgave, uitgever en aantal bladzijden en bij een artikel na de verwijzing naar de plaats in het tijdschrift).
- Velle, K., “Juridische beroepen in België (19de-20ste eeuw). Inleiding”, Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis 1998, 7-30 en www.flwi.ugent.be/btng-rbhc/pdf/BTNG-RBHC,%2028,%201998,%201-2,%20pp%20007-030.pdf
- In een voetnoot wordt de hyperlink ook op het einde van de bronvermelding geplaatst, tenzij men verwijst naar één of meerdere specifieke pagina’s (wat meestal het geval is wanneer in een voetnoot wordt verwezen naar een monografie of een bijdrage in een tijdschrift). In dat geval wordt alle informatie vóór de hyperlink vermeld, behalve dan de specifieke pagina of pagina’s (en/of eventueel randnummer(s)) die gevolgd worden door een punt.
- K. Velle, “Juridische beroepen in België (19de-20ste eeuw). Inleiding”, Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis 1998, www.flwi.ugent.be/btng-rbhc/pdf/BTNG-RBHC,%2028,%201998,%201-2,%20pp%20007-030.pdf, 12.
50. In de meeste gevallen verschilt de paginering van een pdf-document van de bladzijde aangegeven op het origineel (bv. een verwijzing naar pagina 7 van een tijdschriftartikel dat staat op pagina 8 van het pdf-document). In dit geval telt de pagina van het tijdschrift en niet die van het pdf-document. Indien de onlineversie noch paginering noch randnummers heeft, dan kan de indeling worden gebruikt die de schrijver zelf in zijn tekst heeft aangebracht. Om dergelijke problemen te voorkomen, wordt aanbevolen om, zeker voor onlinepublicaties, steeds randnummers te gebruiken.
- F. Debussere, “Het handvest van de grondrechten van de Europese Unie”, Jura Falc. 2001-02, afl. 1, 2.2.4.
51. Zoals elke voetnoot, eindigt ook de voetnoot met een hyperlink op een punt.
1.3.3.3. Verwijzing naar een bron in een onlinedatabank
52. Bij het verwijzen naar bronnen in (andere dan supra nrs. 41-42 vermelde) onlinedatabanken volstaat een vermelding van de startpagina (www.fisconet.fgov.be, www.rechtspraak.nl). De internetjurist kan immers meestal op basis van de verwijzingsgegevens de rechtsbron terugvinden. Onlinedatabanken zijn precies websites met een zoekfunctie op basis van één of meerdere criteria (datum, trefwoord etc.).
53. Zoals dat ook voor gedrukte bronnen het geval is, mag er verwezen worden naar databanken die de toegang koppelen aan voorwaarden als registratie of het betalen van een abonnement.
1.3.3.4. Herhalingen
54. Bij herhaalde verwijzingen naar onlinetijdschriftartikelen of specifieke internetpublicaties zoals blogs, websites, html-publicaties etc. wordt, zoals bij de gedrukte bronnen, de naam van de auteur vermeld en een verkorte titel ( infra nr. 224).
1.3.3.5. Datum van consultatie
55. Vermelding van de datum van consultatie is in principe niet vereist. Alleen bij vaak wijzigende teksten of documenten (bv. de website van een federale overheidsdienst) kan het nuttig zijn. In dit geval gebeurt de verwijzing op de volgende manier:
- X, Vademecum van de onderneming, http://mineco.fgov.be/enterprises/vademecum/home_nl.htm (consultatie 25 maart 2008).
1.3.4. Verwijzing naar andere elektronische dragers
56. Een beperkt aantal publicaties wordt nog verspreid op een cd of dvd. Een referentie hieraan verschilt eigenlijk in niets van een verwijzing naar een gedrukte versie en bevat dus alle gegevens van auteur, titel, plaats, uitgever en jaar van uitgave. Soms gaat het om een databank, zodat de vermelding van pagina’s geen zin heeft. In andere gevallen gaat het wel degelijk om één document, dat een aantal pagina’s heeft, wat dus kan worden vermeld. In de beide gevallen wordt achteraan de verwijzing, maar vóór de concrete pagina, nummer, noot of trefwoord, tussen haakjes vermeld welke de elektronische drager is.
- X, Gids voor sociale reglementeringen in de onderneming, Mechelen, Kluwer, 2007 (cd-rom), 20.
- J. Moors en S. Theissen, Juridisch woordenboek, Brugge, die Keure, 2006 (cd-rom), v° Pand.
1.4. Buitenlandse bronnen
1.4.1. Algemene principes
57. In dit hoofdstuk worden de referenties aan buitenlands recht behandeld, d.i. het interne recht van andere staten. Verwijzingen naar het internationale en supranationale recht worden behandeld onder de respectieve hoofdstukken wetgeving, rechtspraak en rechtsleer van het in België geldende recht.
58. Voor verwijzingen naar buitenlandse wetgeving en rechtspraak worden zoveel mogelijk de in het betreffende land geldende regels van verwijzen en afkorten gebruikt.
59. Voor de buitenlandse rechtsleer worden de regels van deze gids gebruikt.
60. Landen die niet over een afgesproken regelset beschikken, kunnen behandeld worden volgens de in dat land meest voorkomende gebruiken. Bij gebrek daaraan wordt het best gewerkt volgens deze gids.
61. Indien uit de context onvoldoende duidelijk is om welk land het gaat, wordt de verwijzing best aangevuld met een aanduiding van het betreffende land (tussen ronde haakjes), bv. Cass. (FR), RvS (NL), BW (NL). Hiervoor worden best de landcodes van ISO-norm 3166 gehanteerd, die ook gebruikt worden voor domeinnamen (www.iso.org/iso/country_codes.htm).
62. Als in een voetnoot verwezen wordt naar zowel Belgische als buitenlandse bronnen, dan staan de Belgische steeds eerst en vervolgens de buitenlandse, gegroepeerd per land.
1.4.2. Enkele belangrijke buitenlandse gidsen
1.4.2.1. Algemeen
63. Van landen die over regels beschikken die algemeen of vrij courant worden toegepast, geven we hieronder de vindplaats van deze regels, in boekvorm en/of online. Alle grote common law landen hebben een gezaghebbende gids, hoewel geen enkele ervan een officieel karakter heeft, zelfs niet het beroemde Amerikaanse Bluebook. De grote civil law landen (Duitsland, Frankrijk, Italië, Spanje...) hebben echter helemaal geen geschreven uniforme regels, de kleinere landen eerder wel. In de praktijk is er meestal wel een zekere conformiteit voor de meest voorkomende verwijzingen.
64. Een algemene gids is New York University School of Law (ed.), Guide to Foreign and International Legal Citations (GFILC) , New York, NYU, 2006, xv+278 p. en https://its.law.nyu.edu/jilpgfilc. Dit initiatief van het Journal of International Law and Politics is vrij te consulteren. De gids bevat per land een basishandleiding voor de meest voorkomende verwijzingen naar wetgeving, rechtspraak en rechtsleer, zowel gedrukt als online. Als voor een land een officiële of toch gezaghebbende gids bestaat, wordt deze vermeld. Voor Frankrijk en Duitsland is dit boekje een hulpmiddel.
1.4.2.2. Civil law landen
65. Frankrijk heeft geen gezaghebbende regels, noch een verwijzingsboekje, noch een afkortingenboekje, niet gedrukt en niet online. Elke uitgever heeft voor zijn publicaties zowat zijn eigen regels.
66. Duitsland heeft geen geschreven leidraad voor verwijzingen. Wel is er een (behoorlijk lijvig) afkortingenboek: H. Kirchner en C. Butz, Abkürzungsverzeichnis der Rechtssprache , Berlijn, De Gruyter, 2008, xvi+664 p. Ook is er een officieel handboek over wetgevingstechniek, waarin enkele regels staan over de verwijzing naar wetgeving, die door de meeste auteurs gevolgd worden: Bundesministerium Der Justiz (ed.), Handbuch der Rechtsförmlichkeit: Empfehlungen des Bundesministeriums der Justiz zur einheitlichen rechtsförmlichen Gestaltung von Gesetzen und Rechtsverordnungen nach § 38 Abs. 3 GGO II, Keulen, Bundesanzeiger Verlag, 1999, ook consulteerbaar via internet: www.bmj.de/rechtsfoermlichkeit/allg/impress.htm. Wat verwijzingen naar andere rechtsbronnen betreft, bestaan echter alleen algemene gebruiken.
67. Voor Nederland is er: Commissie Leidraad (ed.), Leidraad voor juridische auteurs: voetnoten, bronvermeldingen, literatuurlijsten en afkortingen in Nederlandstalige publicaties , Deventer, Kluwer, 2007, 110 p., met bijlage, en www.kluwer.nl/overkluwer/images/multimedia/pdf/leidraad2007_def.pdf. Deze gids is niet volledig en legt geen verplichting op voor gebruik, maar wordt toch vrij algemeen toegepast in Nederland.
68. Oostenrijkse juristen maken gebruik van: G. Friedl en P. Dax (eds.), Abkürzungs- und Zitierregeln der österreichischen Rechtssprache und europarechtlicher Rechtsquellen ( AZR ), Wenen, Manz, 2001, 249 p.
69. Voor Zwitserland is er: P. Forstmoser en R. Ogorek, Juristisches Arbeiten: eine Anleitung für Studierende , Zürich, Schulthess, 2003, xx+437 p.
1.4.2.3. Common law landen
70. In de Verenigde Staten van Amerika is de bijbel: Harvard Law Review Association (ed.), The Bluebook. A Uniform System of Citation , Cambridge, Harvard Law Review Association, 2005, 415 p. Tegen betaling consulteerbaar op www.legalbluebook.com. Het Bluebook (rule 19) bevat bovendien ook regels over buitenlands recht, die inspirerend kunnen zijn, evenals een aparte tabel (T. 2), die voor een aantal landen enkele concrete suggesties en voorbeelden bevat.
Een beperktere onlinegids voor de Verenigde Staten is vrij te consulteren op www.law.cornell.edu/citation.
71. Voor het Verenigd Koninkrijk wordt het best een beroep gedaan op Faculty Of Law (ed.), The Oxford Standard for Citation of Legal Authorities ( OSCOLA ), Oxford, University of Oxford, 2006, 42 p., vrij te consulteren op http://denning.law.ox.ac.uk/published/oscola.shtml. Deze gids heeft geen officiële status maar is in de praktijk de meest gebruikte standaard.
72. Voor het Australische recht zijn er: Melbourne University Law Review Association (ed.), Australian Guide to Legal Citation , Melbourne, University Law Review Association, 2002, 155 p. en http://mulr.law.unimelb.edu.au/aglc.asp en P. Rozenberg (ed.), Australian Guide to Uniform Legal Citation, Melbourne, Law Book Co, 2003, 145 p.
73. In het gemengde rechtssysteem van Canada wordt gebruik gemaakt van McGill Law Journal (ed.), Canadian Guide to Uniform Legal Citation/Manuel canadien de la référence juridique , Toronto, Carswell, 2006, 600 p. Een vrij te consulteren samenvatting daarvan staat op http://library.queensu.ca/law/lederman/legalcit.htm.
1.4.2.4. Internationaal recht
74. Voor internationaalrechtelijke verwijzingen, in het bijzonder naar elektronische bronnen, kan ten slotte gebruik gemaakt worden van: M. Hoffman en J. Mc. Watson (eds.), ASIL Guide to Electronic Resources for International Law , www.asil.org/resource/home.htm en het daarbij horende Electronic Information System for International Law (www.eisil.org).